Introductie
Als Sr. Lead Engineer bij MechDes houd ik me al meer dan vijfentwintig jaar bezig met techniek. In die tijd heb ik aan uiteenlopende projecten gewerkt, van machinebouw tot complexe constructies. Toch zit mijn grootste fascinatie niet alleen in pure techniek. Wat mij fascineert is de combinatie van techniek, creativiteit en gevoel.
Dat klinkt misschien als een vreemde combinatie voor een engineer. Veel mensen verwachten dat een techneut in zijn vrije tijd aan auto’s sleutelt, motoren opknapt of een werkplaats vol gereedschap heeft. Natuurlijk vind ik het leuk om dingen te bouwen. Op dit moment werk ik bijvoorbeeld samen met mijn zoon aan een eigen escaperoom. Maar een groot deel van mijn vrije tijd besteed ik aan iets heel anders: muziek.
Al ruim 40 jaar speel ik orgel en ik ben inmiddels ook al weer 20 jaar organist in mijn gemeente. Niet omdat ik ooit een carrière in de muziek wilde nastreven, maar omdat ik geraakt werd door wat muziek kan doen met mensen. Uiteindelijk ontdekte ik dat muziek en engineering veel meer gemeen hebben dan je op het eerste gezicht zou denken. Beide draaien om structuur, samenhang, opbouw en balans. En in beide gevallen geldt dat iets pas echt goed wordt wanneer alle onderdelen samenwerken.
Play Jaap speelt Toccata uit Sonate No. 1 van Becker op 'zijn' orgel in de Bethelkerk.Meer dan noten spelen
Mijn muzikale voorkeur ligt niet bij de meest eenvoudige stukken. Ik houd van muziek waarin iets te ontdekken valt. Muziek die niet alles in één keer prijsgeeft. Een mooie melodie kan prachtig zijn, maar als je na twee keer luisteren alles hebt gehoord, dan ben ik mijn interesse vaak alweer kwijt.
Ik vergelijk het weleens met eten. Sommige muziek is als een gebakje met teveel slagroom: lekker, maar na een paar happen ben je er klaar mee. Ik houd meer van muziek met lagen. Muziek waarin je de vijfde of tiende keer luisteren nog steeds iets nieuws ontdekt.
Dat heeft waarschijnlijk ook met mijn technische achtergrond te maken. Als engineer kijk ik graag wat er achter de buitenkant schuilgaat. Ik vind het interessant om te begrijpen hoe iets werkt en waarom. Bij muziek heb ik hetzelfde. Ik luister graag naar hoe een compositie is opgebouwd, hoe verschillende stemmen samenwerken en hoe spanning wordt opgebouwd en weer wordt opgelost.
Die manier van kijken neem ik ook mee wanneer ik orgel speel. Natuurlijk speel je de noten die op papier staan, maar daar begint het pas. De echte vraag is wat je ermee doet. In een kerkdienst speel je namelijk niet voor jezelf. Je speelt voor een gemeente. Voor mensen die zingen, luisteren, vieren of soms juist verdriet hebben. Dat vraagt om meer dan alleen technisch goed spelen. Je probeert aan te voelen wat er nodig is.
Soms is dat een rustige begeleiding die de gemeente ondersteunt zonder op te vallen. Soms vraagt een psalm juist om meer kracht, meer beweging of meer kleur. Als organist ben je in zekere zin ook dirigent. Je bepaalt niet alles, maar je geeft wel richting. Je kunt mensen uitnodigen om mee te zingen, om aandachtiger te luisteren of om een tekst anders te beleven. Dat blijft bijzonder om mee te maken. Je zet iets in beweging en ziet (en hoort!) vervolgens wat het met mensen doet.

Een orgel met verborgen potentie
De combinatie van techniek en muziek kwam voor mij misschien wel het sterkst samen tijdens een bijzonder project bij mijn kerk in Genemuiden. Toen daar onze nieuwe kerk werd gebouwd, moest er natuurlijk ook een orgel in komen. Dat hoefde niet perse een nieuw orgel te zijn, maar juist een instrument dat paste bij de forse gemeentezang, de nieuwe ruimte en tegelijkertijd financieel verantwoord was. Er werd een enthousiaste orgelcommissie opgericht, een adviseur en orgelbouwer in de arm genomen en de zoektocht naar een tweedehands orgel kon beginnen.
Via een orgelbouwer kwamen we terecht bij een orgel uit Duitsland uit 1970. Dat was geen liefde op het eerste gezicht. Sterker nog: veel mensen vonden het instrument eigenlijk niet mooi. Het zag er gedateerd uit en paste totaal niet bij het beeld dat we hadden van het toekomstige orgel.
Toch zagen we direct iets anders: potentie. Technisch zat er namelijk ontzettend veel kwaliteit in het instrument. Het ging om een groot orgel met drie manualen, pedaal en ruim vijftig registers. Een instrument met duizenden pijpen en een enorme hoeveelheid mogelijkheden. De vraag was alleen hoe we die kwaliteit konden behouden en tegelijkertijd een orgel konden creëren dat paste bij de nieuwe kerk.
Dat vond ik interessant. Niet omdat het de makkelijkste oplossing was, maar juist omdat het een technische en creatieve puzzel werd.
Eerst begrijpen, dan ontwerpen
Voordat je iets kunt aanpassen, moet je eerst begrijpen hoe het werkt. Een orgel is veel meer dan een verzameling pijpen. Het is een complex systeem van mechanieken, verbindingen, luchtkanalen, registers, windvoorziening en constructies. Alles beïnvloedt elkaar.
In Duitsland stond het orgel in een totaal andere opstelling dan in de nieuwe kerk. De speeltafel stond anders gepositioneerd, de pijpen stonden anders opgesteld en ook de mechanische verbindingen liepen anders door het instrument heen. Dat maakte dat de plattegrond niet aansloot voor ons, maar de onderdelen wel.
Voor de orgelbouwer vormden die onderdelen de technische basis van het project. Voor mij begon daar juist de puzzel, maar ook voor de orgelbouwer was dit niet een standaard ombouw. Hoe kunnen we bestaande onderdelen opnieuw positioneren zonder de werking en de klank van het instrument te verliezen? Welke verbindingen kunnen behouden blijven? Welke routes moeten opnieuw worden ontworpen? Hoe zorgen we dat het geheel onderhoudbaar blijft? Gelukkig waren twee commissieleden, waaronder ik, bedreven in 3D-CAD waardoor we deze puzzel gezamenlijk konden oplossen.
Een goede oplossing begint vaak met goed kijken. We hebben veel gemeten, geschetst en doorgerekend. Wat daarbij hielp, was dat het bestaande orgel verrassend flexibel bleek. Veel onderdelen konden met relatief beperkte aanpassingen een nieuwe plek krijgen. Daardoor konden we grote delen van het oorspronkelijke instrument behouden.
En dat vind ik mooi aan techniek. Je hoeft niet altijd opnieuw te beginnen om iets nieuws te maken.

Een orgelkas die bij de ruimte hoort
Naast de techniek speelde nog een andere uitdaging. De nieuwe kerk vroeg om een orgel dat rust en statigheid uitstraalde. Geen hypermodern object en ook geen zichtbaar tweedehands instrument dat toevallig beschikbaar was.
Het moest voelen alsof het altijd al bij de ruimte had gehoord. Daarom ben ik intensief betrokken geweest bij het ontwerp van de buitenkast. Samen met betrokkenen en de orgelbouwer hebben we gekeken naar verhoudingen, lijnen, detaillering en uitstraling.
Dat proces vond ik misschien nog wel net zo leuk als de technische kant. Je bent voortdurend bezig met keuzes. Hoe geef je een orgelkas voldoende 'body' zonder onnodig gewicht toe te voegen? Hoe laat je constructies optisch robuust ogen terwijl ze technisch efficiënt blijven? Welke details voegen iets toe en welke leiden juist af?
Daarbij kwam ook mijn interesse voor vormgeving naar voren. Ik ben altijd gefascineerd geweest door organische vormen, vloeiende lijnen en stijlen zoals Jugendstil. Vooral het snijwerk in het front vond ik prachtig om uit te werken. Ik heb tientallen varianten gemaakt voordat ik tevreden was.
Voor buitenstaanders lijken zulke details misschien klein. Voor mij maken ze juist het verschil. Een lijn moet kloppen. Een vorm moet spanning hebben. Een ornament moet niet zomaar versiering zijn, maar onderdeel worden van het geheel. Dat is moeilijk uit te leggen, maar als het klopt, voel je het direct.
Techniek achter de schermen
Natuurlijk moest het orgel niet alleen mooi zijn, maar ook veilig en constructief verantwoord. Het instrument hangt deels voor de galerij en brengt aanzienlijke belastingen met zich mee. Daarom is er veel aandacht besteed aan de staalconstructie, de verankering en de krachtsafdracht naar het gebouw.
Dat soort vraagstukken voelen voor mij vertrouwd. Daar komt mijn achtergrond als engineer direct van pas. Welke ankers gebruik je? Hoe voorkom je ongewenste vervormingen? Wat gebeurt er als bepaalde belastingen anders uitpakken dan verwacht?
Het zijn dezelfde vragen die ik ook in mijn dagelijkse werk stel. Alleen was de context deze keer anders. Hier ging het niet om een machine of een constructie voor een klant, maar om een instrument dat uiteindelijk een centrale plek zou krijgen binnen een gemeenschap.
Dat gaf het project een extra dimensie.

De kracht van eenvoud
Wat ik misschien het meest heb geleerd tijdens dit project, is het belang van bewuste keuzes. Tijdens het ontwerp kwamen allerlei ideeën voorbij. Extra systemen, aanvullende functies en traditionele details die technisch mogelijk waren. Toch hebben we niet alles uitgevoerd.
Sommige oplossingen waren prachtig, maar voegden in de praktijk weinig toe. Andere opties zouden veel geld kosten terwijl slechts een handvol mensen het verschil zou merken. Dan moet je keuzes maken. Niet alles wat kan, hoeft ook. Dat is een principe dat ik zowel in engineering als in muziek belangrijk vind. Een ontwerp wordt niet beter door steeds meer toe te voegen. Soms wordt het juist sterker doordat je dingen weglaat.
Die nuchterheid past ook bij een project dat grotendeels mogelijk werd gemaakt door vrijwilligers, sponsors en betrokken gemeenteleden. Iedereen investeerde tijd, kennis of middelen. Dan heb je de verantwoordelijkheid om daar zorgvuldig mee om te gaan.

Als hoofd en hart samenwerken
Inmiddels staat het orgel al jarenlang op zijn plek. Wat me het meest aanspreekt, is dat het instrument tijdloos aanvoelt. Het vraagt geen aandacht voor zichzelf, toch is het zeer bepalend voor de sfeer en algehele gevoel in de kerkzaal. Het orgel is de afgelopen jaren betrouwbaar gebleken en voelt echt als één met de kerk en gemeente. Voor mij is dat misschien wel het grootste compliment dat een ontwerp kan krijgen. Als ik terugkijk op het hele project, zie ik vooral hoe techniek en muzikaliteit elkaar hebben gevonden. Aan de ene kant waren er de berekeningen, constructies, maatvoering en technische keuzes. Aan de andere kant was er de muziek, de ruimte en de mensen die er gebruik van maken.
Precies daartussen ligt voor mij de mooiste vorm van vakmanschap. Of ik nu werk aan een machine, een constructie, een orgel of een escaperoom: uiteindelijk zoek ik altijd naar hetzelfde. Naar een oplossing die niet alleen functioneert, maar gevoelsmatig ook klopt.
Want als techniek en gevoel elkaar versterken, ontstaat er iets dat groter wordt dan de som van de onderdelen. En juist dat blijft me, na meer dan vijfentwintig jaar engineering, nog steeds fascineren.
